De Kung Fu legende stopt !
Op donderdag 4 juni jl. werd acteur David Carradine, vooral bekend van de tv-serie Kung Fu en de film Kill Bill, levenloos aangetroffen in een hotelkamer in Bangkok. Daar was hij voor opnamen van de film Stretch. Een werkster vond hem opgehangen aan een gordijnkoord in een kast. Direct deden allerlei geruchten de ronde over de omstandigheden waaronder hij aan zijn einde gekomen was. Officieel werd verklaard dat hij zelfmoord gepleegd had, maar andere bronnen berichtten van een uit de hand gelopen seksspelletje. Hoe het ook zij, hij is er niet meer: de man die al tijdens zijn leven een legende was.
Tweemaal had ik het voorrecht om David Carradine te interviewen. De eerste keer sprak ik hem in oktober 2004, in de wat rumoerige ambiance van zijn stand op de Gentse film-, game-, strip- en speelgoedbeurs FACTS. Zeven maanden later ontmoette ik hem opnieuw, ditmaal voorafgaand aan de film- en tv-beurs New Star Con 3 in het zuid-Nederlandse dorp Berkel-Enschot. Die tweede keer werd heel duidelijk dat hij nog niet van zijn drankverslaving af was, al had hij in 2004 in een (niet door mij gevoerd) interview nog het tegendeel beweerd, want hij toog na afloop met een fles sterke drank naar zijn hotelkamer. Een andere indicatie hiervoor was zijn reactie op een foto die ik in Gent van hem had gemaakt: “Prachtig, zo met dat glas wijn in de hand!”
Op Cerberus Online brachten we vier jaar geleden een uitvoerig artikel over David Carradine, dat inmiddels niet meer online staat. Ter nagedachtenis aan deze bijzondere acteur plaatsen we daarvan nu een iets verkorte, geactualiseerde versie.

Acteren zit de familie Carradine in het bloed
David Carradine kwam als John Arthur Carradine op 8 december 1936 in Hollywood ter wereld. Dat dit in deze sterk aan film gelieerde plaats gebeurde, was geen toeval, want zijn vader, John Carradine, timmerde toen al verschillende jaren aan de weg als acteur. Tot zijn dood in 1988 speelde Carradine senior in een paar honderd films, waaronder vele in het horror- en sf-genre.
David Carradine studeerde in eerste instantie muziek aan de San Francisco State University, maar raakte tijdens zijn opleiding via deelname aan toneelstukken de smaak van het acteren te pakken, waarna hij een opleiding aan de drama-afdeling van de universiteit ging volgen.
Zoals bij wel meer families, viel ook bij de Carradines de appel niet ver van de boom. Niet alleen David trad in de voetsporen van pa, ook zijn jongere halfbroers Keith Carradine, Robert Carradine en Michael Bowen deden dat. Ook Davids dochter Kansas is inmiddels aan het acteren geslagen. Voeg daaraan toe dat Davids nichtjes Martha Plimpton en Ever Carradine in hetzelfde vak zitten en je kunt met recht spreken van een acteursdynastie.
Mede doordat David Carradine in zijn jonge jaren furore wist te maken op Broadway, werd hij vanaf 1963 gevraagd voor tv-series en films, meestal in het westerngenre. In 1964 maakte hij zijn filmdebuut in de western “Taggart”. Inmiddels prijken meer dan 150 titels op zijn cv. Het gros van de films waarin hij aantrad werd met beperkte middelen gemaakt. Ook draagt een niet gering aantal van zijn films een fantastisch stempel.
Wereldwijde bekendheid door Kung Fu
De tv-serie Kung Fu, die van 1972 tot 1975 de huiskamers binnenkwam, maakte van hem wereldwijd een ster. Daarin portretteerde hij de door het 19e-eeuwse China zwervende half-Chinese, half-Amerikaanse vluchteling Kwai Chang Caine, die als weeskind was opgevoed door boeddhistische monniken en later door hen was opgeleid in oosterse vechtkunst en filosofie. Doordat hij zich vanwege deze rol eigen moest maken met martial arts en alles er omheen, bleef hij zich daar sindsdien ook ‘buiten werktijd’ mee bezighouden. Dit culmineerde in diverse instructievideo’s op vechtkunst- en fitnessgebied en het boek Spirit of the Shaolin. In 1986 keerde hij terug als Caine in de tv-film Kung Fu: The Movie (met Bruce Lee’s zoon Brandon als zijn filmzoon) en in 1992 als kleinzoon van Caine (met dezelfde naam) in Kung Fu: The Legend Continues, de pilot van de gelijknamige tv-reeks die van 1993 tot 1997 liep en waarin hij eveneens te aanschouwen was als Caine’s kleinzoon.
In 1980 was hij samen met Keith en Robert Carradine te zien in Walter Hills veelgeprezen western The Long Riders (1980), waarin hij volgens sommigen zijn beste vertolking aller tijden ten beste gaf. Opvallend aan deze film alleen al was dat deze bulkte van de filmbroers, want behalve de drie Carradines zaten hierin ook Stacy en James Keach, Dennis en Randy Quaid en Nicholas en Christopher Guest.
Daarnaast verscheen hij in rolprenten als Q: The Winged Serpent, Future Force, Sundown: The Vampire in Retreat, Waxwork II: Lost in Time en Children of the Corn V: Fields of Terror. Ondanks zijn sterk op de kleine film gerichte werk liet hij zich ook een aantal malen zien in een grote(re) productie, zoals The Long Goodbye, Bound for Glory, Lone Wolf McQuade, Gray Lady Down, Bird on a Wire en uiteraard Kill Bill.
“Naar mijn eigen films kijk ik haast nooit,” zo vertrouwde Carradine in oktober 2004 het FACTS-publiek toe tijdens een Q&A. “Ik heb ontzettend veel DVD’s en videobanden, maar die zitten bijna allemaal nog in hun verpakking.”
Behalve acteur was Carradine ook nog regisseur, scenarioschrijver, producent, editor en muzikant. Aan de film Americana werkte hij zelfs op ál deze fronten mee. Ook maakte hij de films You and Me en Mata Hari. Daarnaast regisseerde hij afleveringen van Kung Fu en zowaar Lizzie McGuire, deed hij op productievlak een duit in het zakje bij o.a. Kung Fu: The Movie, Future Force en Kung Fu: The Legend Continues, schreef hij mee aan Kung Fu: The Legend Continues en nam hij meer dan 60 songs (in verschillende stijlen) op, waarvan hij er enkele in een aantal films ten gehore bracht.
Carradine is vijf keer getrouwd geweest en heeft drie kinderen: dochter Calista (geboren in 1962), zoon Free (1972) en dochter Kansas (1978). Met Free’s moeder, actrice Barbara Hershey, is Carradine nooit in het huwelijk getreden; met haar woonde hij van 1972 tot 1975 samen.

Veelvuldige samenwerking met Roger Corman
Iemand met wie David Carradine veelvuldig heeft samengewerkt is Roger Corman, de koning van de B-film. Hij sloeg 15 maal de armen ineen met deze inmiddels 83-jarige, maar nog steeds actieve filmicoon. Tot zijn films met Carradine behoren o.a. Boxcar Bertha, Death Race 2000, Deathsport, Shepherd en Nightfall (naar een verhaal van Isaac Asimov). Boxcar Bertha, waarin, saillant detail, tevens John Carradine speelde, was de eerste Hollywood-film van de later wereldberoemd geworden Martin Scorsese. In Mean Streets, die Scorsese hierna maakte, was voor Carradine (junior) eveneens een rol weggelegd.
Death Race 2000, uitgebracht in 1975, was een soort sf-versie van een film waarin Carradine een jaar later zou spelen, Cannonball. In beide gevallen ging het om een groots opgezette autorace. In eerstgenoemde film kwamen de meest bizarre figuren en auto’s voor, waaronder een over lijken gaande racer genaamd Frankenstein, uitgebeeld door Carradine. In beide films raasde trouwens ook ene Sylvester Stallone voorbij. Jarenlang gonsde het van de geruchten dat een remake gemaakt zou worden met Tom Cruise als Frankenstein. In 2008 verscheen de film dan eindelijk. Niet met Cruise, maar met Jason Statham, in de rol van Jensen Ames (een personage dat in het origineel niet voorkwam). Carradine zelf was hierin niet te zien, maar wel te horen – als… Frankenstein! Hoe onwaarschijnlijk Cruise ook geleken zou hebben in de rol van Frankenstein, de casting van Carradine was dat indertijd ook. “Laten we eerlijk wezen, voor Death Race 2000 was ik net zo goed een onwaarschijnlijke keuze, zo kort na Kung Fu. En juist daarom deed ik het. Ik wilde namelijk eens iets héél anders doen. Maar Tom doet dat soort dingen óók. De film Collateral is daar een mooi voorbeeld van. Daarin heeft hij grijs haar en speelt hij een uiterst kwaadaardig persoon. Hij laat totaal niets van het gebruikelijke Tom Cruise-werk zien. En hij is in die film nog een loser ook. Ik zou hem niets eens de ster van de film willen noemen.”
“Als je met Corman werkt”, benadrukte Carradine, “moet je begrijpen dat opportunisme de boodschap is. Dat is iets wat je moet omarmen, anders zit je jezelf er de hele tijd tegen te verzetten. Van Rogers films vind ik dat ze stuk voor stuk een zekere mate van degelijkheid bezitten. En ze zijn altijd amusant. Ook amusant is zijn vrouw Julie. Bij ongeveer de helft van de films die ik voor Roger deed, was het in feite Julie die de producer was. Roger maakte onder meer van die actiefilms die sexy en hilarisch waren, en dan zorgde Julie ervoor dat ze een heel duistere en dramatische lading meekregen. Ik heb dus de kans gekregen om met hen béiden te werken. En dat was erg cool!”
The Demon Slayer versus The X-Files
In 2000 speelde Carradine een vermakelijke bijrol in The Demon Slayer. Voor deze film kroop Carradine in de huid van een stoïcijnse FBI-agent die de politie assisteert bij de speurtocht naar een seriemoordenaar, neergezet door Michael Bowen.
Het had niet veel gescheeld of Carradine had hierin een héél andere rol gespeeld. “Oorspronkelijk hadden ze het er over om mij de moeder [van de seriemoordenaar] te laten spelen, omdat ik eerder, in de film Sonny Boy, ook al een vrouw gespeeld had. Michael leek het een erg grappig idee als ik de moeder zou spelen. Dat vond ik best. Maar toen bleek de vrouw van de uitvoerend producent die rol te willen spelen… Dus keek ik wat voor rollen er nog meer waren en zei ik: ‘Ik wil de FBI-agent spelen.’ Dat vond men oké. En toen bleek de vrouw van de uitvoerend producent weer niet de rol van de moeder te gaan spelen… Maar mij de rol van de FBI-agent laten spelen was bij nader inzien ook een veel beter idee. Wat ik schitterend vond was dat de FBI-agent nog gekker is dan de seriemoordenaar.”
Qua toonzetting lijkt de film enigszins geïnspireerd door The X-Files of een vergelijkbare serie. “Zo heb ik dat niet ervaren. Maar ik geloof ook niet dat de film geïnspireerd was door zo iets dergelijks, omdat de twee die het script schreven heel individueel te werk zijn gegaan en misschien wel helemaal niet naar zulke tv-series kijken. Volgens mij is het allemaal aan hun eigen fantasie ontsproten. Ik heb deze film aan Quentin [Tarantino] laten zien en daar heb ik volgens mij mede mijn rol in Kill Bill aan te danken gehad.”

Comeback dankzij Quentin Tarantino
Na een lange afwezigheid op het witte doek kwam Carradine eind 2003 en begin 2004 ijzersterk terug als de crimineel Bill in beide delen van de boordevol filmcitaten zittende wraakfilm Kill Bill. Aanvankelijk had regisseur Quentin Tarantino zijn zinnen gezet op Warren Beatty voor deze rol, maar op het laatste moment besloot hij Carradine hieraan invulling te laten geven. Door het lezen van Carradine’s autobiografie Endless Road had de filmmaker veel van Bill in de acteur/auteur herkend en dat had voor hem de doorslag gegeven. Dus Als Quentin Tarantino hem niet had aangezocht om de titelrol te vertolken in Kill Bill, zou David Carradine waarschijnlijk voor velen altijd, zijn ellenlange conduitestaat ten spijt, “die man uit Kung Fu” zijn gebleven. Maar dankzij de eigenzinnige cultfilmer zal hij nu tevens in het collectieve geheugen gegrift blijven als ‘die man uit Kill Bill’.
Tarantino benaderde Carradine niet via diens agent voor het meewerken aan Kill Bill, maar linea recta. “Doordat we elkaar al enige tijd kenden, had hij mijn telefoonnummer en belde hij me persoonlijk op. Ik was op dat moment echter in Spanje, zodat hij berichten op mijn antwoordapparaat achterliet. Toen ik terugkwam uit Spanje, nam ik contact met hem op.”
Tarantino’s kritisch en commercieel goed ontvangen ‘double bill’ bezorgde Carradine een comeback van jewelste. En daar was hij de kleurrijke cultfilmer en B-filmadept maar wat dankbaar voor. Ten tijde van de gesprekken met hem zat een nieuw samenwerkingsproject met Tarantino in de pen. Dat heeft hij gelukkig nog net mee mogen maken, want dit werd de door Tarantino geproduceerde (maar niet geregisseerde) misdaadfilm Hell Ride uit 2008. Hierin vertolkte zijn Kill Bill-collega Michael Madsen een der hoofdrollen. Carradine was in deze film rond een gewelddadige motorbende te zien in een bijrol (als The Deuce). Na Kill Bill speelde Carradine in niet minder dan negen producties met Madsen (waar Tarantino geen bemoeienis mee had), waaronder de fakedocumentaire Being Michael Madsen, de echte documentaire Through Your Eyes (beiden als verteller), de thriller Last Hour en de actiefilms Break en Six Days in Paradise.
De afgelopen vijf jaar maakte Carradine zijn opwachting in bijna 50 films, dus gemiddeld zo’n 10 films per jaar, hetgeen aardig illustreert hoe werklustig hij was. In deze laatste periode van zijn leven verscheen hij in onder meer de parodie Epic Movie, de horrorfilm Fall Down Dead, de zwarte komedie Permanent Vacation (met Michael Bowen), de actiekomedie Big Stan (van en met Rob Schneider), een moderne versie van Richard III en de tv-film Kung Fu Killer.
Dead and Breakfast: deceptie voor Carradine
In oktober 2004 was Carradine niet alleen present op FACTS, ook was hij te gast op het Internationaal Filmfestival van Vlaanderen – Gent. Op het programma van het festival stond Dead and Breakfast, een zombiekomedie met zijn nichtje Ever in een hoofdrol waarin hij een cameo speelde.
Zo verheugd als Carradine vóór de voorstelling van Dead and Breakfast was dat een kleine film als deze op het witte doek vertoond werd, zo negatief was hij over de film – die hijzelf toen nog niet gezien had – erná. Dacht hij soms dat het serieuze film zou zijn? “Nee, ik wist dat het een komedie was. Ik had alleen gehoopt dat hij ook grappig zou zijn!”
Een zombiekomedie die hij wél geslaagd vond, was Shaun of the Dead. “Dat is werkelijk een geweldige film. Er zit veel vaart in, de humor is van een enorm hoog niveau en hij zit waarlijk bullet-proof in elkaar. En zij beschikten toch ook niet over een echt noemenswaardig budget. Dead and Breakfast moet je zo’n beetje zien als een film die gemaakt is door een stel jongeren die een keer bij elkaar kwamen en zeiden: ‘Laten we eens een film gaan maken.’ Iets waar in dit geval echter geen van allen echt goed in bleek te zijn. Ze bedachten een verhaal, scharrelden wat geld op en haalden een vriend erbij die regisseur is.”
Low budget-films versus big budget-films
Door het overwicht aan low budget-films waarin Carradine gespeeld heeft zou je de indruk kunnen krijgen dat de acteur het prefereerde om aan films van dit type zijn medewerking te verlenen. “Geef ik er de voorkeur aan om in low budget-films te spelen? Nee, dat kan ik niet zeggen. Je pakt aan wat je krijgt aangeboden om in je levensonderhoud te kunnen voorzien. Het kán mooi zijn om in niets anders dan gigantische blockbusters te spelen, miljoenen dollars te verdienen en die films de wereld rond te zien gaan en door iedereen bekeken te zien worden. Want het is gewoon een feit dat low budget-films maar door weinig mensen bekeken worden. Daar staat echter tegenover dat het werk fantastisch is om te doen. Je werkt veel sneller en je voelt je veel meer deel uitmaken van de groep, omdat je in dat wereldje niet van die enorme rotzakken in hoge posities hebt zitten. Quentin daarentegen is uit heel ander hout gesneden: Quentin doet gewoon wat hij wil. Maar meestal is het zo dat wanneer je meewerkt aan een film voor een grote studio, je te maken hebt met de regisseur, met de producer, met de maatschappij en met de distributeur – en allemaal schrijven ze je voor wat je moet doen.”
Betekende dit nu, dat wanneer Carradine aan een kleine productie deelnam, hij beduidend meer in de melk te brokkelen had, misschien zelfs tot op scenarioniveau toe, dan bij een grotere productie? “Soms wel, ja”, zei Carradine. “In Kill Bill was mijn inbreng zelfs ontzettend groot. Maar Quentin is dan een ook een heel speciaal iemand. Hij is geen establishment guy, weet je, en hij laat zich niet onder druk zetten. Maar in de meeste gevallen is het inderdaad zo, ja, dat wanneer je aan film van een grote studio meewerkt, het er op neerkomt dat je gewoon doet wat je opgedragen wordt.”
Script op tweede plaats
Is voor menigeen die zich, al dan niet beroepshalve, met film bezighoudt het script het belangrijkste onderdeel van een film, Carradine zag dat anders. “Ik heb in films gespeeld waarvan het script erg goed was, maar op het doek daarvan weinig terug te zien was, omdat de makers niet wisten waar ze mee bezig waren. De castleden, die zijn het voornaamste. Pas daarná komt het script. En na het script komt… ik weet het niet, het budget, denk ik. Wij vragen altijd: ‘Wat is het budget?’ Want je wilt nu eenmaal graag weten of het een goedgemaakte film gaat worden of niet. En wat je eveneens wilt weten, is: ‘Welke andere mensen spelen er in? Ga ik werken met mijn gelijken of met een zootje sleazeballs? Of met een stelletje kinderen?’”
Op de vraag, wat iemand nu tot een goed acteur of actrice maakt, antwoordde hij: “Waar je in elk geval over moet beschikken is intelligentie. Als je dom bent, red je het niet in deze business.”
Een script dat kort voor de start van of gedurende de opnamen wijzigt: voor de ene acteur een leuke uitdaging, voor de andere een ware crime. Carradine viel in de laatste categorie. “Het is me eens tot op zekere hoogte overkomen, maar ik kan je wel zeggen dat ik om zoiets pisnijdig kan worden. Ik bedoel, ik probeer mijn best te doen in een film die gebaseerd is op een script dat ik gelezen heb en dan veranderen ze het! Ik vertel ze dan: ‘Wacht eens even! Dit is niet wat ik zou horen te doen!’ Vervolgens ga ik er dan waarschijnlijk over bakkeleien en krijg ik uiteindelijk misschien mijn zin. Maar het is waar, scripts willen nog wel eens herschreven worden. Neem nu Kill Bill: Quentin herschreef tijdens de opnamen voortdurend, tot aan het eind toe, allerlei zaken. Hij ervoer het als noodzakelijk om dingen te herschrijven, te veranderen – maar steeds in het kader van verbetering. Wordt zoiets gedaan door iemand die een genie is, dan werkt dat. Maar wordt het gedaan door een comité of mensen die geen echte band met de film in kwestie hebben, dan wordt het resultaat er alleen maar slechter op, zoals ik een paar keer heb meegemaakt. Van Bird on a Wire bijvoorbeeld was het oorspronkelijke script briljant, maar toen maakte een comité bij Univeral het een stuk softer, waardoor een deel van de pointe verloren ging. Toen ze die film opnamen, volgens het nieuwe script, maakten ze het script opnieuw softer. En tegen de tijd dat de film in de bioscoop kwam, was er van de pointe helemaal niets meer over. Het was nog wel een charmante film, maar ook niet meer dan dat, terwijl het een werkelijk sensationele film was toen het originele script nog overeind stond.”
Geen stoere bink
Hoewel Carradine menigmaal een stoere bink heeft neergezet, had hij dat zelf nooit als zodanig ervaren. “In Kung Fu zou ik Caine geen stoere bink willen noemen. Hij is sterk en in staat om te doen álsof hij stoer is, dat wel. En in de meeste van mijn films probeer ik in elk geval om niet stoer over te komen. Er zijn een paar films geweest waarin ik inderdaad zo’n stoer figuur moest spelen, maar over het algemeen zie je me niet in zulke rollen. En Bill gedraagt zich ook niet als een stoere bink.”
David Carradine: een man die zei waar het op stond, geliefd was bij velen, een bijna onvoorstelbare productiviteit aan de dag legde en multigetalenteerd was. We zullen hem missen.
© Ton van Rooij, 2009.