ALBERTO SCIAMMA
De horror en humor van Alberto Sciamma
Een activiteit die al jarenlang gelieerd is aan het Brussels Internationaal Festival van de Fantastische Film (BIFFF) is de workshop “Fantastisch Brussel”. Doel hiervan is om Brusselse filmstudenten meer voeling te doen krijgen met het fantastische genre en tegelijk de kneepjes van het vak te leren van een ervaren filmmaker. De korte films die zij rond het vaste thema “Fantastisch Brussel” maken, worden vervolgens op het festival vertoond.
Voor jongste editie van de workshop, de 14e alweer, werkte het BIFFF samen met een Nederlandstalige en Franstalige filmschool: respectievelijk het Rijksinstituut voor Cultuurspreiding (RITS) en het Institut National Supérieur des Arts du Spectacle et des techniques de diffusion (INSAS). De workshop was mogelijk gemaakt dankzij de financiële steun van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de logistieke steun van Eye-Lite, de Jean-Pierre Finotto Make-Up School, Video Facilities en TV Connections.
De workshop stond ditmaal onder supervisie van de Spaans-Britse cineast Alberto Sciamma. Voorgegaan werd hij door onder meer Freddie Francis, Lewis Gilbert, Jack Cardiff, Stuart Gordon, Bernard Rose en Dick Maas. Sciamma’s aanwezigheid op het BIFFF, dit jaar gehouden voor de 27e keer, grepen we aan om met hem in gesprek te gaan. In 1997 en 2004 was de cineast ook al te gast op het BIFFF, toen vanwege de vertoning van respectievelijk The Killer Tongue en Jericho Mansions. Om een nóg duidelijk beeld te geven van deze bijzondere filmmaker, is in het onderstaande tevens het interview verwerkt dat we in 2004 met hem hadden.

Van muziek naar film
Voor Alberto Sciamma, geboren op 19 november 1961 in Barcelona, is Londen al meer dan de helft van zijn leven zijn woonplaats. Hij specialiseerde zich in film aan de West Surrey College of Art and Design in Farnham, Groot-Brittannië, waaraan hij in 1986 afstudeerde. Deze school werd in 1995, à propos, omgedoopt tot Surrey Institute of Art and Design. Aan het begin van zijn carrière maakte Sciamma videoclips voor de Britse labels Mute Records en Rhythm King. Als zodanig ging hij aan de slag met o.a. Fischer-Z, Nitzer Ebb en Diamanda Gala. Daarna nam hij in Londen clips op voor Spaanse bands als Heroes del Silencio, Fangoria en Gabinete Caligari. Vervolgens maakte hij de overstap naar Palace Pictures, de productiemaatschappij van o.a. Neil Jordans The Crying Game, waar hij enige tijd werkte als maker van promo’s. Ook regisseerde hij diverse commercials, waaronder voor Coca-Cola. Hij trok voor het eerst de aandacht met de korte film Balls of Fire, die bekroond werd met een Fujifilm Award. Hierin worden de testikels van oppergod Zeus afgehakt, mengt zijn zaad zich met schuimend zeewater en ontstaat daaruit liefdesgodin Venus.
Hij leverde tot nu toe drie langspeelfilms af: de horror-/sf-konedie The Killer Tongue, de middeleeuwse seriemoordenaarfilm Anazapta en de mysterievolle thriller Jericho Mansions. In 1997 werd The Killer Tongue op het Fantafestival in Rome onderscheiden met de prijs voor de beste regie en op Fantasporto in Porto met de prijs voor de beste special effects (vervaardigd door de experts van Image Animation, befaamd om hun werk voor o.a. Hellraiser en Interview with the Vampire). Schreef hij het scenario van The Killer Tongue zelf, voor zijn andere twee rolprenten bundelde hij de krachten met zijn vrouw, Harriet Sand.
Als scenarist stak hij een helpende hand uit naar het team van de Frans-Zwitsers-Luxemburgse co-productie Humains. In deze horror-/avonturenfilm, vertoond op BIFFF 2009, ontaardt een wetenschappelijke expeditie in de Zwitserse Alpen in een survivaltocht wanneer de deelnemers ten prooi dreigen te vallen aan iemand… of iets.

The Killer Tongue: instant-cultklassieker
Over zijn opleiding aan het West Surrey College of Art and Design zegt Alberto Sciamma: “Het betreft hier een kunstopleiding waarvan een van de afdelingen zich met film bezighoudt. Voordat ik me op deze school kon specialiseren in film, moest ik een algemene opleiding doorlopen waarbij disciplines als fotografie en schilderkunst aan de orde kwamen. Als klein kind wist ik al, dat ik later niets anders wilde doen dan films maken, want ik was helemaal wég van films – en ben dat nog steeds. Ik móest gewoon films gaan maken. En dat heb ik dus ook gedaan.”
Waarom heeft hij eigenlijk niet “gewoon” een filmopleiding in zijn geboorteland gevolgd? “Het Spanje uit mijn tienertijd was heel anders dan het Spanje van nu. Franco was toen nog niet zo lang dood. Er waren geen filmopleidingen en maar heel weinig kunstopleidingen. Het was in die dagen heel moeilijk om in Spanje iets op creatief vlak te doen. Er waren wel wat algemene opleidingen waarbij een beetje aan fotografie en film gedaan werd, maar dat was het dan. Dat vond ik maar niks en daarom besloot ik om me ergens anders te gaan vestigen. En dat werd Londen. Toen ik daar voor het eerst kwam, was dat een hele schok voor mij. Ik waande me in New York of een andere wereldstad, zó anders was de cultuur daar. Bovendien sprak ik toen nog geen woord Engels.”
Hoe wist hij zich ondanks deze taalbarrière te redden? “Ach, als je aan een kunstschool studeert, maakt het eigenlijk niet uit welke taal je spreekt”, lacht hij. “Stukje bij beetje maakte ik me de Engelse taal eigen. Dat ging me vrij makkelijk af.”
In het jaar waarin hij afstudeerde, ging hij werken voor Mute Records. Sciamma hierover: “Bij Mute Records was men in die periode bezig met het introduceren van elektronische muziek in Groot-Brittannië. Ik ben toen videoclips gaan maken voor allerlei undergroundbands. Later ben ik gaan werken met Spaanse bands, die dan voor de videoclipopnamen naar Londen kwamen.”
Sciamma maakte, zoals hij gekscherend zegt, “miljoenen” videoclips. “Ik verdiende er bijna niets mee, omgerekend naar euro’s zo’n 500 euro per videoclip, maar ik deed er wel veel filmervaring mee op.”
Verschillende Spaanse bands waarmee hij werkte, waren in eigen land topacts. “In Spanje hadden we een aantal grote bands, ‘onze’ Rolling Stones, ‘onze’ Beatles, ‘onze’ punkbands, enzovoorts. Ik werkte met al die mensen, maar ook met veel folkloristische muzikanten, zoals flamencosterren.”
Een van de formaties waarmee hij indertijd werkte, was Fangoria, die ook de muziek voor The Killer Tongue verzorgde. Over zangeres Alaska, wier echte naam Olvido Gara is, laat hij zich ontvallen: “Alaska is tevens actrice en speelde in de eerste [lange] film die Pedro Almodóvar maakte, Pepi, Luci, Bom and Other Girls on the Heap. Zij maakte deel uit van de culturele beweging La Movida, waarin sinds eind jaren ’70 veel kunstenaars en filmmakers zich verenigd hadden en met elkaar waren gaan samenwerken.”
Waarom begon Sciamma na het voltooien van zijn opleiding met het maken van videoclips in plaats van films? Het antwoord is simpel: “Omdat je érgens moet beginnen. Tijdens de opleiding maak je een schilderij, een documentaire en misschien nog wat andere dingen. En dan zou je meteen daarna al een film willen maken? Dat is zo goed als onmogelijk. Alleen al vanwege het vele geld dat je daarvoor nodig hebt. Toen mij de kans geboden werd om videoclips te gaan maken, greep ik die aan. Want je bent bezig met filmwerk, je leert er veel van en je ontmoet interessante mensen.”
Met de toename van het aantal videoclips dat hij afleverde, groeide ook de behoefte om een langspeelfilm te maken. “Na een poos zei ik tegen mezelf: ‘Oké, nu moet ik echt een film gaan maken.’ Maar ik wist in het geheel niet hoe ik moest beginnen, welk traject ik moest doorlopen en hoe ik de film gefinancierd moest krijgen. Toen besloot ik om eerst maar eens een script te schrijven. Ik had twee opties in gedachten: een serieus drama en een absurdistische film. Ik stond in dubio: ‘Welke zal ik maken?’ Maar toen realiseerde ik me dat het er niet toe deed welke ik maakte – áls ik er maar een maakte. En dat werd The Killer Tongue. Ongeveer een jaar later had ik het script af, nadat ik het meerdere malen herschreven had. Toen stelde ik me de vraag, welke stap ik als volgende zou moeten zetten. En gaf daarop als antwoord: ‘Ik moet een producer zien te vinden.’ En dus ging ik op zoek. Hierdoor kwam ik in contact met twee jonge gasten, Jason Piette en Michael Cowan uit Groot-Brittannië, die op filmgebied, net als ik, nog maar net begonnen waren en nog nooit een film geproduceerd hadden. Ik zei tegen hen: ‘Zullen we het erop wagen?’ We slaagden erin om geld bijeen te krijgen en anderhalf jaar later was de film een feit.”
Sciamma en co situeerden de film, een Brits-Spaanse co-productie, in een woestijnachtige streek. “We schoten de film in het zuiden van Spanje, waar ook al die oude spaghettiwesterns gemaakt zijn.”
In deze instant-cultklassieker woont Candy (Melinda Clarke), een jonge vrouw met een crimineel verleden, in een verlaten bordeel met vier poedels. Candy’s partner in crime, Johnny (Jason Durr), staat op het punt om vrijgelaten te worden uit een nabijgelegen strafkamp, geleid door de sadistische Chief Screw (Robert Englund). Dan slaat niet ver van Candy’s onderkomen een meteoriet in. Zonder dat ze het merkt, belandt een brokje van de kosmische klomp in de soep die ze op dat moment aan het eten is. Na het nuttigen van het ontstane brouwsel verandert haar tong in… een slangachtig wezen met een eigen willetje! Ook haar honden zijn door de inslag aangetast. Zij zijn omgetoverd tot kleurrijke travestieten – die de tong van voedsel moeten voorzien…

Freddy Krueger en Pinhead in één film
In de cast van La Lengua Asesina, zoals de Spaanse titel van de film luidt, prijken behoorlijk grote namen als Robert “Freddy Krueger” Englund en Doug “Pinhead” Bradley (als een der gevangenen). Hoe had Sciamma het als beginnend filmmaker voor elkaar gekregen om deze kopstukken te strikken? “Wel, ten eerste beviel hun de komische invalshoek van de horror in de film. Humor en horror lopen door elkaar heen. En ten tweede beviel hun het idee dat twee representanten van mythologische horrorfiguren, Freddy Krueger en Pinhead, samen in een film te zien zouden zijn.” Had hij beide acteurs zelf ook in gedachten gehad? “Ja, van begin af aan. Ik wist natuurlijk niet of ik ze ook zou krijgen, maar ik hóópte het wel. Toen de financiering van de film rond was, benaderden we hun impresario’s. Zoals gezegd, viel het script bij beide acteurs in de smaak, waardoor ze zich erop verheugden om aan de film mee te werken. Dat ze met ons in zee wilden, had echter ook nog een andere reden: het vooruitzicht van een verblijf van enkele maanden in zuid-Spanje”, glimlacht hij. Het zou voor hen dus een soort werkvakantie worden? ”Ja, inderdaad. Je een beetje amuseren en tussendoor aan een film meedoen, mooi toch? En zo kwam het dus dat we ze op de set konden verwelkomen. Het is een heel prettige samenwerking geworden.”
En hoe was het om samen te werken met hoofdrolspeelster Melinda Clarke (eerder te zien in Return of the Living Dead III en later succesvol in de serie The O.C.)? “Waanzinnig gewoon! Ze was zó gepassioneerd over haar rol en ze had zich er zó goed op voorbereid! Om Robert Englund en Doug Bradley te krijgen, moesten we de nodige onderhandelingen voeren met hun impresario’s, maar met Melinda ging het heel anders. Zij was een van de vele kandidaten die deelnamen aan open audities die in Los Angeles plaatsvonden. Zij was toen nog een heel jonge actrice, die alles wilde aanpakken wat maar op haar pad kwam. Ik en een van mijn producers zagen haar en vonden haar perfect; ze was werkelijk steengoed. Vervolgens kwam ze naar Madrid, wat haar eerste bezoek aan Spanje was. Een Amerikaan met wie ze verkering had kwam ook over naar Madrid en deed haar daar een huwelijksaanzoek. Dat speelde allemaal ten tijde van de filmopnamen. Ze was voortdurend omringd door de vier travestieten die in de film voorkomen en die vier bouwden elke avond in Madrid of zuid-Spanje een feestje. Ik heb zo het gevoel dat ze het in die periode enorm naar haar zin heeft gehad!”

Tong met een eigen willetje
Het tot “leven” brengen van het tongwezen was een vrij complexe aangelegenheid. “Wij legden alles nog op celluloid vast. Vandaag de dag doet dat bijna niemand meer. Tegenwoordig kun je thuis op je computer al special effects te voorschijn toveren, maar toentertijd werd nog niet zo heel veel gebruik gemaakt van computeranimaties. Voor de special effects in The Killer Tongue beriepen we ons voornamelijk op animatronische techniek en protheses. Wij prefereerden het gebruik van puppeteers boven digitale effecten. Voor sommige scènes met Melinda en de reuzentong hadden we maar liefst zes puppeteers nodig, omdat elk van hen een deel van de tong, die ook nog drie ‘vingers’ had, moest bewegen. Dus het kwam allemaal aan op een goede onderlinge coördinatie. Hierdoor werd de tong in feite een personage op zich. ‘Hé, breng de tong eens hier!’ ging het dan, ha ha. Sommigen wilden er zelfs mee praten – zo van: ‘Hallo, hoe gaat het met jou? – of wilden hem om Melinda heen laten kronkelen! Enerzijds zag de tong er knullig uit, anderzijds juist ook weer heel geloofwaardig. Als we de tong er achteraf langs digitale weg aan toegevoegd zouden hebben, zou het er allemaal veel onnatuurlijker uitgezien hebben. Nu zagen we onmiddellijk de connectie tussen Melinda, de actrice, en de tong, de ‘acteur’. Daardoor konden we ter plekke nog dingen veranderen, bijvoorbeeld als de gelaatsuitdrukking van Melinda niet helemaal in overeenstemming was met datgene wat de tong deed. Het was een primitieve manier van werken, maar het resultaat daarvan stemde me meer dan tevreden. Daarmee wil ik niet zeggen dat onze manier van werken beter is dan een andere manier van werken, maar wij deden het zo, omdat dat de énige manier was waarop we het wilden doen. We hadden best nog meer special effects in de film kunnen stoppen, maar dat hebben we niet gedaan, omdat we daar eenvoudigweg het geld niet voor hadden.”
Over de release van de film meldt Sciamma: “De film kreeg een bioscooprelease in onder meer Spanje, Portugal, Italië, Groot-Brittannië en Japan. Daarbij ging het om kleinschalige releases. Dus je moet dan niet denken aan vertoningen in bioscoopmultiplexen. In diverse andere landen kwam hij uit op video en/of DVD. Ook is hij her en der op tv uitgezonden. Hoewel het een tamelijk obscure film is, werden er toch behoorlijk goede zaken mee gedaan. En daar ben ik heel blij om.”
Duistere zaakjes in Jericho Mansions
In Jericho Mansions stijgt de spanning letterlijk en figuurlijk tot grote hoogte. In een appartementencomplex, dat een duister geheim herbergt, werkt sinds jaar en dag onderhoudsman Leonard Grey (James Caan), die aan pleinvrees en geheugenverlies lijdt. Eigenares Lily Melnick (Genevieve Bujold) beschuldigt hem meermalen van diefstal en probeert hem uit het gebouw te krijgen. Wanneer de man van masseuse Donna Cherry (Jennifer Tilly) vermoord wordt, gaat niet alleen de politie, maar ook Leonard op onderzoek uit, hetgeen culmineert in een beklemmende climax.
De opnamen van Jericho Mansions vonden plaats in Saint John in de Canadese provincie New Brunswick. Waarom uitgerekend daar? “Samen met Harriet Sand, mijn co-scenarist en vrouw, creëerde ik een film die je overal zou kunnen opnemen, aangezien we daarvoor alleen een appartementencomplex en een filmstudio nodig hadden. Eerst waren we van plan om in Montreal te gaan filmen, maar vanwege diverse productietechnische voordelen bleek het handiger om in New Brunswick aan de slag te gaan. Dus gingen we daar heen. We streken in Saint John neer omdat we daar een geschikte locatie gevonden hadden. Omdat de film een co-productie is tussen Groot-Brittannië en Canada, hádden we ook een deel in Groot-Brittannië kunnen opnemen. Maar we vonden het toch beter om alles in New Brunswick te doen. De reden daarvoor was simpelweg dat de producers een goede relatie met een Canadese filmmaatschappij hadden. Zij hadden ons uitgelegd hoe we het project financieel haalbaar konden maken. Hierdoor was het ideaal om in Canada te filmen. Een bijkomend voordeel van het opnemen van een film in een kleine plaats of kleine ruimte is dat er veel sneller een familiesfeer ontstaat. Als je in een grotere plaats filmt, gaat elke medewerker aan het eind van de draaidag naar huis of naar zijn of haar hotelkamer. Maar als je dat in een kleine plaats doet, blijft iedereen bij elkaar, logeert iedereen in hetzelfde hotel, gaat iedereen naar dezelfde bars, enzovoorts. Zo creëer je al gauw een familiesfeer. En zo’n sfeer komt de film alleen maar ten goede.”
Was het voor een aantal leden van de filmploeg niet lastig om helemaal naar Canada te moeten komen? “Het was lastig in de zin dat ter plekke slechts een beperkt aantal faciliteiten en crewleden voorhanden was. Maar omdat in Saint John niet al te veel films gemaakt worden, konden we de voornaamste crewleden allemaal daar vandaan halen en zo toch het beoogde doel bereiken. De castleden kwamen overal vandaan: Geneviève Bujold uit Canada, Maribel Verdú uit Spanje, Jennifer Tilly en James Caan uit de VS… Zij vonden het geen punt om enige tijd in Saint John te moeten doorbrengen. Nou ja, alleen James Caan misschien een beetje, omdat hij er zes weken aaneengesloten moest zijn. Al lijkt zes weken niet zo heel lang, je moet weten dat in Saint John, hoe mooi het daar ook is, niet zo gek veel te beleven is. Dus dan kan op den duur de verveling toeslaan. Voor de anderen was het aanzienlijk makkelijker te doen, omdat zij er veel korter hoefden te zijn: variërend van één week tot drie weken.”

Atypische rol voor James Caan
Hoe wist Sciamma zich te verzekeren van de medewerking van een grote naam als James Caan (The Godfather, Alien Nation, Mysery)? Daarover is Sciamma heel openhartig: “Hij deed het deels omdat hij geld nodig had. Maar ook omdat het script hem aansprak, hoor. Over zijn medewerking aan de film heb ik uitvoerige gesprekken met hem gevoerd, zowel telefonisch als van aangezicht tot aangezicht. Hij wilde verschillende zaken aan de rol van Leonard Grey veranderd hebben om deze zó te maken zoals hij hem wilde spelen. Toen alles rond was, arriveerde hij op de set en deed hij wat hij moest doen. James Caan is niet echt een method actor. Geneviève Bujold daarentegen is dat wél. Zij kroop volledig in de huid van haar personage. Gedurende de opnameperiode was zij 24 uur per dag écht Lily Melnick. Omdat zij een zwaar neurotische, hysterische persoon moest spelen, was ze elke draaidag erg gespannen. James Caan is totaal anders. Hij komt op de set, doet zijn ding, draait na afloop de knop om en doet dan wat hij leuk vindt. De samenwerking met hem verliep heel gladjes. James Caan is een fascinerende persoonlijkheid, die in de jaren ’70 lange tijd een topper onder de filmsterren was. Daarna werd hij een beetje gek en liet hij een jaar of vijf, zes het acteervak voor wat het was. [James Caan leed tussen 1982 en 1987 aan een depressie, veroorzaakt door de dood van zijn zus, kampte met een toenemende cocaïneverslaving en had last van wat hijzelf omschreef als een ‘Hollywood burnout’. – TvR.] In die periode deed hij allerlei rare dingen. Zo ontwikkelde hij zich tot een grootmeester in het rodeocircuit. Totdat hij op een ochtend wakker werd, zo vertelde hij mij, en ervan doordrongen raakte dat hij weer terug moest keren naar de filmwereld. Dit omdat hij in geldnood geraakt was doordat zijn zwager hem belazerd had. Al moet ik er wel bij zeggen dat als James Caan je iets vertelt, je nooit weet wat daarvan waar is en wat niet…”
James Caan was ten tijde van de opnamen 63 jaar, maar dat zie je hem, mede door zijn gespierde postuur, niet af. Sciamma: “James Caan is altijd al fanatiek met sport bezig geweest, zowel actief als passief. Hij vertelde me dat als hij geen filmcarrière had gehad, hij dolgraag sportcoach was geworden. [In de film The Program trainde Caan een universiteitshonkbalteam en buiten de set liet hij als honkbal- en assistent-golfcoach reeds zien wat hij waard is. – TvR.] Ik was verrast om te zien hoeveel littekens hij verspreid over zijn lichaam heeft. Die had hij overgehouden aan onder meer zijn rodeowerk. Hij is werkelijk beresterk. In de film zitten enkele scènes waarin hij zichzelf meermalen aan een stang omhoog moest trekken. Normaal zou je dan een kist onder de acteur plaatsen, omdat hij anders te snel moe zou worden, maar James Caan wilde daar niets van weten. Hij is erg macho in dat opzicht. Toen we een dergelijke scène er goed op hadden staan, vroeg ik hem voor de grap om het nog een paar keer over te doen, zodat zelfs hij moe zou worden. Totdat hij in de gaten kreeg dat we een beetje met hem dolden en het voor gezien hield.”

Jennifer Tilly: ongedwongen en opgewekt
Jennifer Tilly (Bound, Bride of Chucky, The Haunted Mansion) was het eerste castlid dat geselecteerd werd, vertelt Sciamma. Had zij simpelweg auditie gedaan voor de rol? “Nee, ik wilde haar van meet af aan ontzettend graag hebben, omdat ik wegliep met het werk dat ik van haar gezien had. Zoals zoveel mensen, was ik helemaal weg van haar vertolking in Bound van de gebroeders Wachowski. Mij leek ze perfect voor het personage van Donna Cherry, dus benaderden we haar. Het script sloeg dermate goed aan bij haar dat ze besloot om de rol op zich te nemen.”
Over haar acteerprestaties is hij vol lof. “Zij deed het grandioos. Ze was echt fantastisch. Maar James Caan was ook fantastisch. Iedereen die aan de film meewerkte was fantastisch. Jennifer Tilly is een actrice die wéét waarin ze goed is. Ze toonde zich een erg makkelijke actrice om mee samen te werken. Dat gebeurde steeds in een heel ongedwongen sfeer. Ook was ze altijd opgewekt en kletste ze volop met iedereen. Bovendien is het een bijzonder mooie vrouw – Federico Fellini’s droom, zeg maar. Waar ze voortdurend een beetje mee worstelt, is het op peil houden van haar gewicht. Voor bepaalde films moest ze heel slank zijn, voor andere films wat minder slank, maar nog altijd slank. Zo niet voor onze film. Ik wilde juist dat ze er wat natuurlijker, voluptueus uitzag. En daar was ze maar wat blij mee! Het was echt een genot om met haar samen te werken!”
Wanneer ik de cineast vertel dat Tilly sinds enige jaren een verwoed pokerspeelster is en in 2005 als eerste coryfee een open damestoernooi tijdens de World Series Of Poker won, staat hij paf. “Echt waar? Wat cool! Ik wist helemaal niet dat ze poker speelde! Op de set van Jericho Mansions speelde James Caan in zijn trailer veelvuldig poker op de computer. Hij ‘klaagde’ dan wel eens: ‘Ik heb net een hoop geld gewonnen, maar dat verdomde computerprogramma wil het maar niet aan me uitkeren!’ Jennifer daarentegen heb ik toen nooit zien kaarten. Zo hoor ík ook nog eens wat, ha ha!”

Voldoende ruimte voor improvisatie
Was er bij Jericho Mansions eigenlijk ruimte voor improvisatie? “Ik laat acteurs altijd zoveel mogelijk vrij”, klinkt het oprecht. “Sommige acteurs geven er de voorkeur aan om meer te improviseren dan anderen. Dat hangt af van de dag, hoe ze zich voelen en wat ze van een scène vinden. Bij Jericho Mansions hielden de meesten zich vrij nauwkeurig aan het script. Maar het zal duidelijk dat je door de manier waaróp je iemand uitbeeldt al kleine nuances kunt aanbrengen. James Caan speelt vaak stoere, macho types, maar nu moest hij iemand spelen die als een blanco vel papier was. Hij slaagde erin om fysiek het gevoel over te brengen van je verloren voelen in een wereld die je niet begrijpt. Een voorbeeld van iets wat hij toevoegde aan zijn rol zei je in een scène aan het begin van de film. Maribel Verdú [die bewoonster Dolores O’Donnell speelt] opent de deur voor hem, hoort hem aan en zegt dan: ‘Fuck you!’ In het script ging het precies zo, maar toen we de scène opnamen, stak James Caan na het dichtslaan van de deur een middelvinger omhoog. Op dat moment kwam even zijn ware aard naar boven. Dus hij deed veel aan improvisatie, maar steeds op detailniveau. Jennifer Tilly, die haar rol heel intens speelde, improviseerde eveneens menigmaal. Ook haar was dat wel toevertrouwd, omdat ze wíst wat ze deed. Ze deed nooit iets wat niet in het script stond, maar formuleerde hooguit een zin ietwat anders. Maar ze kende het script dan ook tot in de puntjes. ‘Doe maar wat jou goeddunkt, zeg maar wat jou het beste lijkt’, zei ik daarom regelmatig tegen haar. Uiteraard werkte dat de ene keer beter dan de andere keer, maar duidelijk was, dat ze kon improviseren. Daardoor verschafte ze haar personage nóg iets meer diepgang.” Betekende dit dat voor de scènes met haar over het algemeen weinig takes nodig waren? “Inderdaad, haar scènes stonden er telkens razendsnel op.”
Opleving van de Spaanse fantastische film
De laatste 15 jaar is er in Spanje sprake van een ware opleving van de fantastische film. Dat leverde pareltjes op als El Dia de la Bestia / The Day of the Beast van Álex de la Iglesia, Tesis / Thesis en Abre los Ojos / Open Your Eyes van Alejandro Amenábar, El Corazón del Guerrero / The Heart of the Warrior van Daniel Monzón, Hipnos van David Carreras, Los Sin Nombre / The Nameless van Jaume Balagueró, El Segundo Nombre / The Second Name van Paco Plaza en [Rec] van het tandem Jaume Balagueró en Paco Plaza. Verschillende filmmakers gaven vervolgens ook hun visitekaartje af met Engelstalig werk, zoals De la Iglesia met Perdita Durango en The Oxford Murders, Amenábar met The Others, Monzón met The Kovak Box en Balagueró met Darkness en Fragile.
Sciamma zegt hierover: “De afgelopen jaren zijn door Spaanse filmmakers ontzettend interessante films gemaakt, vooral in hun eigen taal. De Engelstalige films die sommige van de al ietwat oudere filmmakers, zoals Álex de la Iglesia, pakken soms goed uit, maar soms ook niet. Op dit moment heeft iedereen het wat moeilijk, omdat geld voor het maken van films vanwege de financiële crisis niet meer zo snel beschikbaar gesteld wordt als voorheen. Maar als je meer dan ooit bij jezelf te rade moet gaan hoe je het geld dát je hebt het zinvolst kunt besteden, kan dat juist ook weer betere films opleveren. Want dan moet je soms andere manieren bedenken om bepaalde zaken gerealiseerd te krijgen. Dat vraagt om meer inventiviteit en creativiteit. Zelf zit ik in de vreemde situatie dat ik weliswaar geboren ben in Spanje, maar al meer dan de helft van mijn leven in Engeland woon. In zowel Spanje als Engeland ben ik in wezen een toerist. Daardoor weet ik ook niet goed, waar ik nu eigenlijk thuishoor.”

Toekomstige projecten
Met de drie langspeelfilms die Sciamma op zijn naam geschreven heeft, bewandelde hij drie in hoofdlijnen verschillende genres. Maar, benadrukt hij, “mijn voorliefde gaat uit naar het komediegenre. Als je naar The Killer Tongue kijkt, is dat toch vooral een komedie. Maar ik hou ook van andere dingen, zoals historische verhalen. Daarom heb ik Anazapta gemaakt. Ik wilde namelijk altijd al een film maken over de Zwarte Dood in Engeland, die daar een jaar later dan in andere landen uitbrak.”
Momenteel is hij druk doende om met verschillende producers in Frankrijk en Groot-Brittannië vier films van de grond te krijgen: Fry, I Love My Mum, Five Idiots en The Diet. “Het scenario van Fry schreef ik samen met mijn vrouw, dat van de andere films schreef ik alleen. De eerste versie van het script van Fry hadden we een aantal jaren geleden al voltooid. Hoewel we het sindsdien op diverse punten veranderd hebben, is het in essentie hetzelfde gebleven. In deze uitermate duistere, door mij te regisseren thriller, verneemt een brandweerman uit een Amerikaans dorp bij het vanuit de lucht bedwingen van een bosbrand dat zijn aanstaande vrouw, de dochter van de sheriff, in een meer aan het zwemmen is. Hij tracht haar te redden, maar dan gaat er iets mis en komt zij om het leven. Wanneer hij haar stoffelijk overschot ziet, weet hij niet wat hij moet doen en gaat hij naar huis. Als hij later terugkeert naar de plek waar zij lag, blijkt ze verdwenen te zijn. Later duikt haar lijk, in stukken gesneden, elders weer op, waarna een ander ervan beschuldigd wordt, haar vermoord te hebben. Vervolgens doet de brandweerman er alles aan om te bewijzen hij zelf schuldig is aan haar dood en niet die ander. Zoals de zaken er nu voorstaan, zal Fry in de lente van 2010 in Canada worden opgenomen.”
Als groen licht wordt gegeven voor de andere drie films, zal ook daarbij Sciamma de regie ter hand nemen. “Dat zijn stuk voor stuk komedies. Geen gewone komedies, maar komedies met een twist. I Love My Mum en is een road movie over een moeder en een zoon uit Southampton, Olga en Ron geheten. Zij krijgen onderweg ruzie, belanden in een havengebied met auto en al in een container en raken vervolgens bewusteloos. Wanneer ze weer bij kennis komen, beseffen ze niet dat ze aan boord zijn van een schip dat op weg is naar Casablanca, Marokko. Tijdens de reis houden ze zich in leven met Jelly Babies [fruitsnoepjes] en blikjes bier, afkomstig uit dozen die in de container staan. Zes dagen later komen ze aan in Marokko en besluit Olga dat ze het beste liftend terug kunnen gaan naar Engeland. In Five Idiots worden vijf idioten uitgekozen door een maffioso in ruste om de bankroof van de eeuw uit te voeren. Op dit terrein behoren zij echter tot de meest onbekwame mensen die er maar zijn. The Diet is het uitzinnige, inktzwarte verhaal van een dikke man en de contante strijd die hij met zichzelf voert om af te vallen.”
Eveneens in de steigers staan twee films waarvoor Sciamma het scenario leverde: The Long Shag en Shoot the Moon.
“In The Long Shag, spelend in Londen aan het eind van de jaren ’70, kruisen de paden van kapster Rafaella en zanger Kenny elkaar. Rafaella heeft moeite om haar kapsalon draaiende te houden en Kenny’s band, The Wild Ferrets, is muzikaal incompetent, waardoor ze in de pubs waar ze optreden nooit meer dan drie mensen als publiek hebben. Beiden zijn niet in staat om met hun tijd mee te gaan en dat breekt hun allebei op. Wat het voor Rafaella allemaal nog wat erger maakt, is dat opgescheept zit met een nare echtgenoot, die ze wel wat aan zou kunnen doen. Om hun karige inkomsten wat op te schroeven, zijn Kenny en zijn kornuiten winkels en hamburgertenten gaan beroven, zonder dat dit echter ooit een noemenswaardige buit heeft opgeleverd. Wanneer Kenny op een dag de kapsalon van Rafaella overvalt, leidt dat tot een volkomen onverwacht tegenoffensief…”
Shoot the Moon is een bewerking van het gelijknamige boek van Joseph T. Klempner. “Deze film gaat over de lotgevallen van een loser van een accountant nadat deze in de kofferbak van een huurauto 20 kilo heroïne vindt.” De film zal worden geproduceerd door Franck Ribière, die eerder meewerkte aan films als The Lazarus Child, A l’Intérieur / Inside, The Oxford Murders en Humains. Op de vraag of hij te zijner tijd in de regiestoel zal plaatsnemen, antwoordt hij ontkennend. “Ik was alleen geïnteresseerd in het schrijven van het scenario. Ik gaf ze een meesterwerk”, grinnikt hij, “en laat nu een ander maar eens zien dat hij de ballen heeft om ermee aan de slag te gaan!”
© Ton van Rooij, 2009.